Rechtbank Utrecht 28-04-1999, JAR 1999, 115


Vakvereniging. CAO.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 115.

Een vakvereniging voor machinisten verzoekt de NS toelating tot het CAO-overleg. De NS wijst het verzoek af en de vakvereniging vordert toelating tot alle CAO-onderhandelingen, stellende aan alle criteria die de werkgever stelt te voldoen en dat de werkgever onrechtmatig handelt door de vakvereniging niet toe te laten. De rechtbank overweegt dat ook op het gebied van CAO-overleg een contractsvrijheid is. Een uitzondering kan worden gemaakt indien er sprake is van voldoende representativiteit van een vakverenging die toelating nastreeft en die belangen behartigt die niet of althans onvoldoende door de wel toegelaten overlegpartners worden behartigd. In dit geval geeft de vakvereniging al geruime tijd te kennen aan het CAO-overleg te willen deelnemen. Nadat zij ongeveer negen jaar geleden tevergeefs een vordering in rechte heeft ingesteld, is de vakvereniging aanzienlijk in representativiteit gegroeid. Zij vertegenwoordigt thans 16,5% van het personeel en ruim 31% van het reizend personeel. Ondanks dat de werkgever deze percentages houdt op respectievelijk 15 en 28%, is de president van oordeel dat de vakvereniging op onderdeels- en concernniveau aanzienlijk groter is dan twee van de wel tot het CAO-overleg toegelaten vakverenigingen. Op grond hiervan handelt de werkgever onrechtmatig. Niet toelating tot het CAO-overleg zou het recht op vrijheid van vakvereniging in dit geval frustreren. Het argument dat de vakvereniging geen gezamenlijke verantwoordelijkheid met de andere vakverenigingen zou willen dragen, doet volgens de president niet terzake omdat minderheden er belang bij hebben dat hun specifieke belangen overeenkomstig hun wensen door een daartoe door hen gekozen vakvereniging worden behartigd. Na belangenafweging is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de vakvereniging moet worden toegewezen.

Terug naar overzicht