Rechtbank Zutphen 01-11-2001, JAR 2001, 254


Gelijke behandeling. Vakantie. Zwangerschap. Onderwijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 254.

De werkneemster is werkzaam als leerkracht in het voortgezet onderwijs krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Op haar arbeidsovereenkomst is de CAO Voortgezet Onderwijs, de opvolger van het RpbO, van toepassing. In de CAO is bepaald dat een werknemer (alleen) vakantie geniet tijdens de schoolvakanties. Het zwangerschapsverlof van werkneemster is grotendeels in de periode van de zomervakantie gevallen. Zij heeft daarop aanspraak gemaakt op de niet door haar genoten vakantiedagen die in haar verlof zijn gevallen. Zij stelt dat het vervallen van de vakantiedagen in strijd is met art. 7:636 BW en daarnaast een directe discriminatie op grond van zwangerschap, en dus op grond van geslacht, vormt. De kantonrechter Apeldoorn (07-06-2000, JAR 2000, 157, Rechtspraak- overzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 158) heeft haar in het gelijk gesteld. Op het hoger beroep van de werkgever overweegt de rechtbank dat de werkneemster geen aanspraak kan maken op een bepaald aantal vakantiedagen, maar alleen op vakantie tijdens de schoolvakanties. Daarbij gaat het overigens om 60 dagen terwijl het wettelijk minimum 20 dagen bedraagt. De CAO-VO wijkt af van de wettelijke vakantieregeling. Deze laatste is derhalve niet van toepassing, gelet ook op het feit dat de werkneemster geen beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van de relevante CAO-bepalingen. De volgende vraag is dan of het ontbreken van een compensatieregeling in geval van samenloop van vakantieverlof en zwangerschapsverlof in strijd is met het EG-recht. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB, van mening dat dit niet het geval is. EG-richtlijn 92/85 geeft geen recht op meer dan veertien aaneengesloten weken zwangerschaps- en bevallingsverlof. Van strijd met Richtlijn 76/207 is geen sprake. In de CAO-VO wordt zwangerschap niet gelijkgesteld met ziekte. Verder is de bestreden CAO-bepaling neutraal geformuleerd, zodat geen sprake kan zijn van directe discriminatie. Indirecte discriminatie doet zich evenmin voor omdat het niet op kunnen nemen van vakantie buiten de schoolvakanties niet als een nadeel kan worden bestempeld, doch er veeleer sprake is van het ontbreken van een voordeel. Dit is echter niet in strijd met de gelijke behandelingswetgeving

Terug naar overzicht