Rechtbank Zutphen 06-01-2000, Prg. 2000, 5417


Hoger beroep ontbinding gewichtige redenen. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling.

Een werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werkneemster met arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar. Na aanhouding van de behandeling, trekt de werkgever zijn verzoek in. De werkneemster heeft inmiddels ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht met een vergoeding. De werkgever voert verweer en verzoekt subsidiair ontbinding met een (aan hem te betalen) vergoeding wegens voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst met een vergoeding ten gunste van de werkneemster van NLG 18.750,-- bruto en NLG 3.000,-- kosten rechtsbijstand. De werkgever gaat in hoger beroep, stellende dat er geen sprake is van een eerlijke, onpartijdige en gelijke behandeling en dat de kantonrechter art. 6 en art. 14 EVRM heeft geschonden. De rechtbank is niet van oordeel dat de kantonrechter art. 7:685 BW ten onrechte heeft toegepast en ook niet dat de kantonrechter buiten het toepassingsgebied van art. 7:685 BW is getreden door geen termijn voor intrekking te gunnen. Bovendien zou dit niet hebben geleid tot doorbreking van het hoger beroepsverbod, omdat het gaat om de materiële inhoud van de beslissing van de kantonrechter. Omtrent de partijdige houding van de kantonrechter is te weinig gesteld of gebleken. Het enkele feit dat dezelfde rechter zowel het verzoek van de werkgever als het verzoek van de werknemer heeft behandeld, maakt dit niet anders, ook niet als de rechter reeds in het eerste verzoek een oordeel heeft gegeven over de hoogte van de vergoeding, aangezien zijn oordeel niet als een bindende eindbeslissing kan worden aangemerkt. De rechtbank is het met de werkgever eens dat de kantonrechter niet bevoegd was tot de niet gevraagde kostenveroordeling. Dit levert echter geen schending van een fundamenteel rechtsbeginsel of verzuim van essentiële vormen op.

Terug naar overzicht