Rechtbank Zutphen 13-06-2002, Prg. 2002, 5935


Bewijs. Ontslag op staande voet.

(Hoger beroep Kantonrechter Apeldoorn 05-09-2001, Prg. 2001, 5765, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2001, blz. 248). Een werkneemster wordt op staande voet ontslagen wegens frauduleuze handelingen. De kantonrechter verklaart het ontslag nietig, omdat het ontslag niet onverwijld zou zijn medegedeeld en de werkneemster daarmee min of meer is overvallen tijdens een gesprek met de bedrijfsrecherche. De rechtbank is van oordeel dat wat er ook zij van het feit dat de werkneemster niet expliciet is medegedeeld dat zij op grond van frauduleus handelen op staande voet is ontslagen, het voor de werkneemster van begin af aan duidelijk moet zijn geweest welke gedragingen tot het ontslag op staande voet hebben geleid. Bovendien is haar de volgende dag schriftelijk medegedeeld dat de door haar bekende feiten de reden van het ontslag op staande voet waren. Met betrekking tot de ernst van de verweten gedragingen (het aanvullen van de fooienpot na consumpties goedkoper te hebben aangeslagen en duurder te hebben afgerekend, het niet afrekenen van zaken voor eigen gebruik en het retour boeken van afgerekende maar niet meegenomen artikelen enz.) is de rechtbank van oordeel dat deze een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Dat de werkneemster de werkgever niet bewust zou hebben benadeeld en dat er sprake was van een bepaalde bedrijfscultuur doet daar niet aan af. Met betrekking tot de wijze van het verkrijgen van de informatie is de rechtbank van oordeel dat de werkneemster wist dat de bedrijfsrecherche was ingeschakeld in verband met geconstateerde misstanden die eerder hadden geleid tot het ontslag van haar collega's. Dat zij de reactie van haar werkgever op het door haar naar waarheid beantwoorden van de vragen, verkeerd inschatte, komt voor haar eigen rekening. Ook kan niet van een werkgever worden verwacht vooraf te waarschuwen voor disciplinaire maatregelen. Dit zou hem bij het onderzoek naar de wantoestanden in een nadelige positie hebben gebracht. Ook is er geen sprake geweest van ongeoorloofde drukuitoefening. De rechtbank vernietigt derhalve het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van de werkneemster af.

Terug naar overzicht