Rechtbank Zutphen 16-03-2000, JAR 2000, 100, Prg. 2000, 5518


Hoger beroep ontbinding gewichtige redenen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 100.

Een 56-jarige senior accountantmedewerker (36 jaar in dienst, salaris NLG 12.560,-- bruto per maand) komt met zijn werkgever overeen dat hij nog vier jaar zal werken en dan op 60-jarige leeftijd met vervroegd pensioen zal gaan. De werknemer zal daarbij de eerste jaren vier dagen en later drie dagen per week werken met doorbetaling van loon. Van deze regeling kan slechts met instemming van beide partijen worden afgeweken. De werkgever verzoekt vervolgens ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van NLG 541.000,-- bruto. De werknemer gaat in hoger beroep, stellende dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet had mogen ontbinden, gezien de overeenkomst, waarvan de bedoeling was dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst was uitgesloten. De rechtbank overweegt dat doorbreking van het appèlverbod slechts mogelijk is indien de rechter buiten het toepassingsgebied van art. 7:685 BW treedt door een voorvraag zodanig te beantwoorden dat hij niet meer aan de toepassing van dat artikel toekomt, het artikel ten onrechte toepast of ten onrechte buiten toepassing laat of indien de rechter bij de toepassing van het artikel essentiële vormen verzuimt. In dit geval doet zich geen van deze doorbrekinggronden voor. De rechtbank is van mening dat het recht op ontbinding niet kan worden ingeperkt in die zin dat de werkgever en de werknemer de afspraak hebben gemaakt dat hun arbeidsovereenkomst niet kan worden ontbonden. Indien en voor zover de werkgever en de werknemer al hadden afgesproken dat de arbeidsovereenkomst onontbindbaar was, is dit beding dus nietig. De rechtbank verwerpt het hoger beroep.

Terug naar overzicht