Rechtbank Zutphen 21-12-2000, JAR 2001, 38


Kennelijk onredelijk ontslag. Passende arbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 38.

Het gaat om de vraag of het gegeven ontslag al dan niet kennelijk onredelijk is. De werknemer (51 jaar, 30 jaar in dienst, salaris NLG 5.653,-- bruto per maand) is na reorganisatie medegedeeld dat hij een soortgelijke functie moest gaan bekleden in Groot-Ammers. Dit leverde voor de werknemer echter een aanzienlijk reistijd op, van wel drie uur. Op grond van het Sociaal Plan kwam de werknemer in aanmerking voor een verhuiskostencompensatie. Omdat de werknemer verder niet heeft ontkend dat hij had kunnen verhuizen naar een plaats dichter bij de nieuwe werkplek kan op grond daarvan niet worden volgehouden dat de nieuwe functie niet passend zou zijn. De werknemer heeft echter aangevoerd dat op zijn oude locatie een functie vacant werd, die de werkgever hem had moeten aanbieden. De werkgever heeft niet betwist dat die functie (nog steeds) voorhanden is en dat de functie geschikt is voor de werknemer. Onder deze omstandigheden moet ervan uit worden gegaan dat de werkgever aan de werknemer bedoelde mogelijkheid aan het werk te blijven had kunnen - en gelet op de evidente belangen van de werknemer - ook had moeten aanbieden. Een dergelijke verplichting tot tijdelijke tewerkstelling vloeit niet alleen voort uit de eisen van goed werkgeverschap doch strookt ook met de inhoud en de strekking van het Sociaal Plan. Omdat er dus wel een andere passende functie voorhanden was is er sprake van een valse of voorgewende reden voor ontslag. Het ontslag is derhalve kennelijk onredelijk en de rechtbank kent toe een bedrag van NLG 120.000,-- onder aftrek van het reeds door de werkgever toegekende beding van NLG 40.290,--

Terug naar overzicht