Rechtbank Zutphen 25-07-2002, NJkort 2003, 7, JAR 2003, 13


Goed werkgeverschap. Reiskosten. Wijziging arbeidsvoorwaarden.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 13.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter Apeldoorn 17-10-2001, JAR 2002, 23, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 32). In 1986 is tussen partijen overeengekomen dat de werknemers niet langer met een bedrijfsbusje vervoerd zouden worden, maar dat zij met eigen vervoer zouden gaan reizen en dat de werkgever een vergoeding van NLG 0,57 per kilometer zou gaan betalen ongeacht het aantal gereden kilometers. Bij brief van 26 november 1996 heeft de werkgever aangekondigd dat hij vanaf 1 januari 1997 alleen nog voor de eerste 10.000 kilometer NLG 0,57 zou betalen en voor de overige kilometers een lager bedrag. De werknemers hebben voortzetting van de oude regeling gevorderd. De kantonrechter heeft hun vordering toegewezen. Op het hoger beroep van de werkgever overweegt de rechtbank dat partijen geen eenduidig eenzijdig wijzigingsbeding zijn overeengekomen. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat een dergelijk beding niet is gesloten. Ook los van het bestaan van een dergelijk beding kan de in art. 7:613 BW neergelegde toetsing, mede gelet op het goed werkgeverschap van art. 7:611 BW, evenwel als richtsnoer dienen bij de vraag of en in hoeverre arbeidsvoorwaarden eenzijdig door de werkgever kunnen worden gewijzigd. Ook kan de vraag aldus worden geformuleerd, of er sprake is van een redelijk voorstel als bedoeld in het arrest Taxi Hofman (HR 26-06-1998, RvdW 1998, 140, NJ 1998, 767, JAR 1998, 199, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 135). Deze vraag ligt echter reeds in voormeld richtsnoer besloten. Bovendien ziet de uitspraak in Taxi Hofman op gewijzigde omstandigheden op het werk, zoals een veranderde functie-inhoud. Naar het oordeel van de rechtbank kan het belang van harmonisatie van arbeidsvoorwaarden voor alle werknemers ertoe bijdragen dat sprake is van een zwaarwichtig belang als bedoeld in art. 7:613 BW. Dat is echter niet steeds het geval. In casu heeft de werkgever niet onderbouwd waarom het belang van de werknemers voor zijn belang zou moeten wijken dan wel waarom er sprake zou zijn van een redelijk voorstel. Daarbij is van belang dat het in dit geding gaat om een forse verlaging van de kosten van het woon-werkverkeer. Nu het woon-werkverkeer bovendien noodzakelijk is geworden door een verhuizing van de werkgever kan de eenzijdige verlaging van de reiskostenvergoeding de toets van art. 7:613 BW niet doorstaan.

Terug naar overzicht