Rechtbank Zwolle 03-03-1999, JAR 1999, 97


Directeur (Statutair). Kennelijk onredelijk ontslag.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 97.

Een statutair directeur, drie jaar in dienst van een autoschadebedrijf, salaris NLG 4.703,-- bruto per maand, wordt door de AVA (waarbij hij niet aanwezig was) ontslagen. De werknemer zou slechte resultaten hebben behaald en desondanks een forse salarisverhoging hebben geëist. De werknemer acht het ontslag kennelijk onredelijk en vordert een schadevergoeding van NLG 125.000,-- bruto alsmede smartengeld van NLG 10.000,-- netto en uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen. De rechtbank begrijpt dat de werknemer zowel een beroep doet op art. 7:681 BW (kennelijk onredelijk ontslag) als op art. 2:15 BW (vernietigbaar ontslagbesluit). De laatste grond kan volgens de Hoge Raad (Van der Giessen/ACV, 18-04-1997, NJ 1997, 609, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 95) mede dienen ter onderbouwing van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag, waardoor de vennootschapsrechtelijke toets wordt verdisconteerd in de arbeidsrechtelijke toetsing (zie ook HR 04-12-1992, NJ 1993, 271, JAR 1992, 149, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1992, blz. 89). De rechtbank acht het ontslagbesluit naar zijn inhoud niet kennelijk onredelijk. De aandeelhouders zijn vrij een bestuurder mede te beoordelen aan de hand van de bereikte resultaten. De rechtbank kan zich voorstellen dat de eis van een forse salarisverhoging onder die omstandigheden slecht is gevallen bij de aandeelhouders. Zij hadden de werknemer echter wel dienen te horen omtrent hun voornemen tot het ontslag. Op grond hiervan is het ontslag wel kennelijk onredelijk vanwege een onjuiste toepassing van de statuten en de wet. Daarom is een schadevergoeding van drie maanden salaris billijk. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de werkgever tot betaling van de niet-opgenomen vakantiedagen.

Terug naar overzicht