Rechtbank Zwolle 16-06-1999, Prg. 1999, 5357


Wederzijds goedvinden. Bepaalde tijd. Overgang onderneming (voortzetting dienstverband; opvolgende werkgevers).

Een technisch medewerker in dienst bij vennootschap A wordt via een zustervennootschap B voor een bepaald project tewerk gesteld bij X. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden treedt de werknemer in dienst bij B voor de duur van het eerder genoemde project bij X. De werknemer stelt dat zijn dienstverband met B moet worden gezien als een voortzetting van het dienstverband met A en dat op grond van art. 7:668 lid 3 BW (oud) voorafgaande opzegging vereist was. Door niet op te zeggen is het dienstverband blijven bestaan en vordert de werknemer doorbetaling van loon. De kantonrechter wijst de vordering af. De rechtbank overweegt dat met invoering van de Wet Flexibiliteit en zekerheid art. 7:677 ingrijpend is gewijzigd. Onder vigeur van deze bepaling en met name lid 5 zal wellicht moeten worden aangenomen dat er sprake is van voortzetting van de arbeidsovereenkomst. De relevante overgangsbepalingen staan echter directe toepassing van de nieuwe bepaling in de weg omdat het dienstverband is geëindigd voor 1 januari 1999. Bovendien is art. 7:677 lid 5 geen codificatie van voordien reeds geldend recht. Hoewel onder het oude recht een constructie van elkaar opvolgende werkgevers om het wettelijke stelsel van ontslagbescherming te ontwijken onoirbaar was (zie HR 22-11-1991, Campina, RvdW 1991, 265, NJ 1992, 707, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1992, blz. 28) zijn in dit geval geen omstandigheden gesteld of gebleken die wijzen op onoirbare bedoelingen van de werkgever. Er is dus geen sprake van een voortgezet dienstverband en de rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Verder lezen
Terug naar overzicht