Rechtbank Zwolle 17-10-2001, JAR 2002, 98


Boetebeding (bestemming boete; afwijking van art. 7:650 lid 3 BW). Concurrentiebeding. Loon (spaarloon). Studiekosten.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 98.

De werknemer is van 7 september 1998 tot 1 februari 2000 bij de werkgever in dienst geweest tegen een salaris dat hoger lag dan het wettelijk minimumloon. De werknemer vordert dat de werkgever hem nog vakantiegeld, een vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen en achterstallig spaarloon betaalt en loonspecificaties verstrekt. De werkgever vordert terugbetaling van studiekosten en betaling van een boete omdat de werknemer in strijd met de arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor een derde zou hebben verricht. De kantonrechter heeft de vorderingen van beide partijen (gedeeltelijk) toegewezen. Op het hoger beroep van beide partijen overweegt de rechtbank allereerst dat het boetebeding uit de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is. In de arbeidsovereenkomst is vermeld dat de boete voor de werkgever bestemd is. Nu de werknemer meer verdiende dan het minimumloon is daarmee rechtsgeldig afgeweken van art. 7:650 lid 3 BW. De werknemer heeft in zijn vrije tijd werkzaamheden verricht die vergelijkbaar zijn met die van de werkgever. Daarmee staat vast dat hij de overeengekomen boete verschuldigd is. De kantonrechter heeft deze gematigd tot NLG 5.000,--, welk oordeel in hoger beroep in stand kan blijven. De werknemer behoeft geen studiekosten terug te betalen, nu dat niet schriftelijk is overeengekomen. De vorderingen inzake vakantiegeld en vakantiedagen van de werknemer vallen weg tegen de door hem te betalen boete. Wel moet de werkgever alsnog een storting doen op de werknemersspaarrekening. Hierbij wordt een dwangsom opgelegd. Dit is mogelijk, aldus de rechtbank, omdat de storting op de werknemersspaarrekening een feitelijke handeling is en geen veroordeling tot betaling van een geldsom. Tot slot dient de werkgever nog duidelijke specificaties af te geven.

Terug naar overzicht