Rechtbank Zwolle 27-12-2000, JAR 2001, 22


Ziekte. Faillissement. Kennelijk onredelijk ontslag.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 22.

Een werknemer (vier jaar in dienst, salaris NLG 5.818,64 per vier weken) is sedert mei 1998 arbeidsongeschikt. Bij vonnis van de rechtbank Zwolle van 2 september 1998 is de werkgever failliet verklaard. Bij brief van 21 september 1998 heeft de curator de arbeidsovereenkomst met de werknemer ex art. 40 Fw, zonder toestemming van de RDA, opgezegd per 2 november 1998. Bij arrest van 22 oktober 1998 heeft het Gerechtshof Arnhem het faillissement - gelet op met de schuldeisers getroffen regelingen - vernietigd. De werknemer roept daarop de nietigheid van het ontslag in wegens het ontbreken van toestemming van de RDA en vordert doorbetaling van loon. Subsidiair stelt hij dat voor zover de arbeidsovereenkomst wel is beëindigd, deze bij gebreke van een afvloeiingsregeling kennelijk onredelijk is geweest. De kantonrechter heeft de vorderingen van de werknemer afgewezen. De rechtbank overweegt dat op grond van art. 13 Fw alle handelingen van de curator na vernietiging van het faillissement de (gewezen) failliet binden. Weliswaar blijkt uit de wetsgeschiedenis dat dat artikel mede strekt tot bescherming van derden, doch mede in het licht van het systeem van de Fw mag daarop niet a contrario worden afgeleid dat zij geen gelding heeft in de gevallen waarin juist de (voormalige) failliet beschermd wordt. Dat zou immers aan de met het artikel beoogde rechtszekerheid afbreuk doen en ook tot onaanvaardbare consequenties kunnen leiden voor de (gewezen) failliet. De opzegging van werknemers arbeidsovereenkomst blijft derhalve een opzegging, ook al is nadien het faillissement vernietigd. De omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst van de werknemer pas een einde nam nadat het faillissement is vernietigd, doet hieraan niet af. De vernietiging van het faillissement brengt evenmin mee dat alsnog aan de voorwaarde van toestemming van art. 6 BBA voldaan dient te worden. Getoetst dient slechts te worden of op het moment van de op art. 40 FW gebaseerde opzegging voldaan is aan de daaraan te stellen eisen. Ten aanzien van het beroep op de kennelijke onredelijkheid van het ontslag stelt de rechtbank voorop dat in de regel een ontslag door de curator tijdens faillissement van de werkgever niet kennelijk onredelijk kan zijn. Dit is slechts anders indien de curator in redelijkheid niet tot het ontslag heeft kunnen komen, bijvoorbeeld door het gehanteerd hebben van een kennelijk onredelijke maatstaf door deze werknemer in plaats van een andere werknemer te ontslaan. Het ontslag dient daarbij getoetst te worden aan de stand van zaken op het moment van ingang van het ontslag; de in de periode tot de feitelijke beëindiging voorgevallen feiten en omstandigheden dienen daarbij betrokken te worden. De werknemer heeft niets gesteld waaruit is af te leiden dat de…

Terug naar overzicht