Rechtbank Zwolle 29-09-1999, Prg. 1999, 5364


Kennelijk onredelijk ontslag. Ziekte. Schadeloosstelling (C=0,6).

Een werkgever zegt met toestemming van de RDA het dienstverband van een 55-jarige lasser (17 jaar in dienst, salaris NLG 4.479,41 bruto per maand) op. De werknemer heeft ongeveer vijf jaar last van medische klachten ten gevolge waarvan hij zijn werk als lasser niet meer kan doen en de werkgever heeft geen andere passende functie. De werknemer acht het ontslag kennelijk onredelijk omdat er geen afvloeiingsregeling is getroffen en vordert een schadevergoeding van NLG 118.704,37 en NLG 25.000,-- smartengeld. De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot suppletie van de uitkering gedurende 26,5 maanden. Smartengeld wijst de kantonrechter af. Zowel de werkgever als de werknemer gaan in hoger beroep. De rechtbank acht de opzeggingsgrond niet onredelijk, doch dit wil niet zeggen dat het ontslag niet kennelijk onredelijk kan zijn. In dit geval gaat het om een 55-jarige arbeidsongeschikte werknemer met een lang dienstverband, die goed gefunctioneerd heeft en die gezien zijn geringe kansen op de arbeidsmarkt zal zijn aangewezen op een uitkering. Een financiële genoegdoening, boven hetgeen de werkgever contractueel verplicht was, zou op zijn plaats zijn geweest. De rechtbank is met de kantonrechter van oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is. De vraag of de werkgever een verwijt van de arbeidsongeschiktheid valt te maken, is alleen van belang bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding. De werkgever treft echter geen verwijt en heeft ook niet onzorgvuldig gehandeld. Hoewel art. 7:681 BW geen voorschrift bevat voor de berekening van de schadevergoeding, wordt in toenemende mate in de jurisprudentie aansluiting gezocht bij de landelijke kantonrechtersformule. Aangezien het hier gaat om het kennelijk onredelijk ontslag van een oudere werknemer neemt ook de rechtbank de kantonrechtersformule als richtlijn. De rechtbank stelt evenals de kantonrechter vast dat het hier gaat om een neutrale beëindiging van het dienstverband. Door de werkgever te veroordelen tot betaling van 26,5 maanden suppletie van 30%, heeft de kantonrechter de correctiefactor op 0,3 gesteld in plaats van op 1. Anderzijds heeft de werkgever een opzegtermijn in acht genomen en meer betaald dan waartoe hij op grond van de CAO gehouden was. De rechtbank stelt de correctiefactor vast op 0,6 en veroordeelt de werkgever tot een schadevergoeding van NLG 60.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente.

Terug naar overzicht