Sign. - 104. HR: het is de taak van de rechter om te bevorderen dat een omgangsregeling tot stand komt


Uit de affectieve relatie tussen M en V is in 2008 dochter D geboren. M heeft D erkend. D verblijft bij V. Kort na de geboorte van D is de relatie tussen partijen beëindigd. M heeft sindsdien geen omgang met D gehad, hetgeen zijn oorzaak vindt in de weigerachtige houding van V.
De rechtbank stelt vast dat V weigert haar medewerking te verlenen aan de opbouw van contact tussen M en D. Daarom ziet de rechtbank in beginsel voldoende aanleiding om een omgangsregeling vast te stellen, versterkt door een dwangsom. Zij ziet daar niettemin vanaf, omdat V zou zijn aangesloten op het Aware alarmsysteem. De rechtbank vreest dat V dit systeem zal gebruiken ter obstructie van de omgangsregeling, hetgeen de rechtbank niet in het belang van D acht. De rechtbank ziet daarom geen andere mogelijkheid dan het verzoek van M af te wijzen en zijn recht op omgang te schorsen.
In hoger beroep oordeelt het hof dat alle pogingen die zijn gedaan om de omgang tussen M en D op gang te brengen, door de houding van V steeds zijn gestrand. Uit de door haar aan het Omgangshuis gestuurde e-mails blijkt dat zij ook niet aan begeleide omgang zal meewerken.
Het hof is het met M eens dat er in beginsel aanleiding is een omgangsregeling vast te stellen, V te verplichten hieraan mee te werken en daaraan een dwangsom te verbinden, gelet op haar houding tot nu toe, maar dat het belang van D voorop dient te worden gesteld. Hoezeer de omgang met M in het belang van de sociaal-emotionele ontwikkeling van D ook moge zijn, het hof ziet…

Verder lezen
Terug naar overzicht