Sign. - 125. Kinderen hebben geen rechtsmiddel tegen opheffing huwelijkse voorwaarden door bewindvoerder


M en V zijn in 1960 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. X is bewindvoerder over de goederen van M en heeft, op de voet van artikel 1:441 lid 2 BW, de kantonrechter verzocht hem te machtigen over te gaan tot opheffing van de tussen M en V tot stand gekomen huwelijkse voorwaarden. De kantonrechter heeft het verzoek ingewilligd. De kinderen van M hebben tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld, maar het hof heeft hen niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, omdat de kinderen geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. Het door X ingediende verzoek heeft niet rechtstreeks betrekking op de rechten (of verplichtingen) van de kinderen. De door X beoogde opheffing van de huwelijkse voorwaarden is weliswaar van invloed op de omvang van het vermogen van hun vader, maar daarbij zijn hun eigen rechten niet, en zeker niet rechtstreeks, in het geding. Evenmin geldt artikel 798 lid 2 Rv, omdat een machtigingsprocedure van artikel 1:441 lid 2 BW niet kan worden aangemerkt als een 'zaak van onderbewindstelling' (vgl. HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4932). Hieraan doet niet af dat het gaat om een machtiging voor een ingrijpende rechtshandeling. Een andersluidend oordeel zou bovendien meebrengen dat de omstandigheid dat sprake is van een machtigingsprocedure niet steeds beslissend is, hetgeen tot onwenselijke rechtsonzekerheid zou leiden, nu het hier gaat om een regeling die, in verbinding met artikel 806 lid 1 Rv, bepalend is voor het antwoord op de vraag aan wie een rechtsmiddel toekomt. De door de…

Terug naar overzicht