Sign. - 19. Hoge Raad bevestigt nogmaals dat vereisten van artikel 1:160 BW restrictief moeten worden uitgelegd


M en V zijn in 2007 met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 2011 door echtscheiding is ontbonden. V verzoekt partneralimentatie van €?2.250 per maand. M stelt dat V geruime met haar nieuwe partner X samenwoont als waren zij gehuwd (artikel 1:160 BW). V betwist dat en wijst erop dat zij op het woonadres van haar vader staat ingeschreven.
Een verplichting tot partneralimentatie na echtscheiding eindigt wanneer de voormalige partner is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd (artikel 1:160 BW).
Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of V in de zin van art. 1:160 BW is gaan samenleven met X als waren zij gehuwd, volstaat niet dat zij en X met elkaar samenwonen, maar is vereist dat tussen hen (1) een affectieve relatie bestaat van (2) duurzame aard, die meebrengt dat zij (3) elkaar wederzijds verzorgen, (4) met elkaar samenwonen en (5) een gemeenschappelijke huishouding voeren. Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief wordt uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen (HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3603 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961).
Ter zitting in hoger beroep heeft M (1) aangevoerd dat V slechts voor de vorm staat ingeschreven op het adres van haar vader, (2) nauwkeurig aangegeven vanaf welke…

Terug naar overzicht