Sign. - 20. Rechtbank acht nihilbeding over alimentatie in partnerschapsvoorwaarden nietig


X en Y zijn onder het maken van partnerschapsvoorwaarden een geregistreerd partnerschap aangegaan. In de partnerschapsvoorwaarden is onder meer bepaald dat bij het einde van het partnerschap over en weer geen aanspraak zal worden gemaakt op alimentatie, mits een dergelijk nihilbeding wettelijk is toegestaan. Ter zake het beding is het volgende vermeld: 'Gemeld nihilbeding is tussen de partners overeengekomen teneinde uiting te geven aan hun wens om zowel tijdens als na het geregistreerd partnerschap geen financiële afhankelijkheid te scheppen. De partners verklaren voorts zich ten tijde van het ondertekenen van deze akte volledig bewust te zijn van de gevolgen van hetgeen in deze akte is bepaald en in het bijzonder van de strekking van gemeld nihilbeding.' Volgens Y is het nihilbeding nietig op grond van artikel 1:400 lid 2 BW. X stelt dat een beroep door Y op de nietigheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. X voert daartoe onder meer aan dat het geregistreerd partnerschap niet is gesloten om een nauwe persoonlijke lotsverbondenheid te creëren, maar enkel om te vermijden dat Y zijn Russische nationaliteit zou verliezen. Volgens X moet de intentie van beide partijen (te weten financiële onafhankelijkheid en gescheiden vermogens) gewaarborgd blijven. Daarom zijn X en Y partnerschapsvoorwaarden overeengekomen met daarin niet alleen een volledige koude uitsluiting (zonder enig verrekenbeding), maar tevens een nihilbeding. Door het bovenstaande citaat staat de bedoeling van partijen bij het aangaan van het beding niet ter discussie en is een beroep op de nietigheid in deze situatie niet aanvaardbaar, aldus X.
De rechtbank acht het nihilbeding nietig wegens strijd met artikel 1:400 lid 2 BW zoals dat volgt uit HR 7 maart…

Terug naar overzicht