Sign. - 36. Vervangende toestemming voor verhuizing naar Duitsland


M (van Canadese nationaliteit) en V (van Duitse nationaliteit) zijn in 2001 te Canada met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk wordt in 2004 zoon Z (van zowel Duitse als Canadese nationaliteit) geboren. M en V oefenen gezamenlijk het gezag uit over Z. In 2010 is het gezin van Canada naar Nederland verhuisd. In 2012 verbreken M en V hun samenwoning. Sindsdien verblijft Z bij V. Tussen partijen is in geschil het verzoek van V om haar vervangende toestemming te verlenen om met Z naar Mainz (Duitsland) te verhuizen. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. V gaat in hoger beroep.
Het belang van Z is volgens het hof vooral gediend als hij verblijft bij de ouder waar hij zich fijn voelt en woont op een plaats waar hij een netwerk op kan bouwen met familie en vrienden, zodat hij zich kan wortelen in de samenleving. Gebleken is dat dit in Duitsland, meer dan in Nederland, tot de mogelijkheden behoort.
Naar het oordeel van het hof heeft V voldoende aannemelijk gemaakt dat zij belang heeft bij een verhuizing naar Duitsland. Zij is geboren en getogen in Duitsland en heeft daar haar opleiding afgerond. Bovendien wonen haar moeder, haar broer met twee neven en haar vriendin en haar kinderen in de omgeving van Mainz. Het hof acht het voldoende aannemelijk geworden dat V een grotere binding heeft met Duitsland dan met Nederland en dat zij in Duitsland een ruimer sociaal netwerk heeft dan in Nederland. Uit het door V overgelegde arbeidscontract blijkt bovendien dat zij in Duitsland een arbeidsbetrekking aangeboden heeft gekregen. Dat in dat contract een proeftijd is opgenomen…

Terug naar overzicht