Sign. - 37. Behandeling van stelling over het bestaan van risico in kindontvoeringszaken


V is een Letse dame en woont in Australië. Zij is met M gaan samenwonen en krijgt een jaar later dochter D. In de geboorteakte is de naam van de vader niet ingevuld. Als de relatie met M verslechtert, verhuist V met D (dan 3,5 jaar oud) naar Letland. M verzoekt de Australische rechter met succes om zijn vaderschap te erkennen en het gezamenlijke gezag over D toe te wijzen. De Australische autoriteiten dienen daarop een verzoek in bij de Letse autoriteiten om de terugkeer van D naar Australië te bewerkstelligen.
De Letse rechter oordeelt dat de verwijdering van D vanuit Australië onrechtmatig is. In hoger beroep overlegt V een rapport waaruit blijkt dat er een risico bestaat voor een psychologisch trauma voor D als de band tussen V en D onmiddellijk wordt verbroken. Het Letse hof laat de beslissing van de rechtbank echter in stand, overwegende dat het in het rapport genoemde risico in de procedure met betrekking tot het gezag over D (en niet in deze procedure) behandeld had moeten worden.
X verzoekt het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) te oordelen de beslissing van de Letse rechters dat D naar Australië terug moet keren een inbreuk op haar recht op familieleven oplevert.
Het EHRM stelt vast dat er sprake is van een inbreuk op artikel 8 EVRM. Met betrekking tot de noodzaak van de inbreuk (die onder omstandigheden is toegestaan), overweegt het EHRM dat het EVRM en het HKOV gezamenlijk, in harmonie en zonder conflict dienen te worden toegepast. Er heerst een brede consensus dat in alle beslissingen met betrekking tot kinderen, het…

Terug naar overzicht