Sign. - 50. HR: onderscheid particulier en ondernemingsvermogen niet discriminerend


Volgens de Hoge Raad is de fiscale vrijstelling van successie- en schenkingsrechten van ondernemingsvermogen niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De wetgever mag onderscheid maken tussen het belasten van ondernemingsvermogen en het belasten van particulier vermogen.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Breda van 13 juli 2012, waarin werd geoordeeld dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, zijn duizenden bezwaarschriften ingediend. Uit deze gevallen zijn vijf zaken waarin nu uitspraak is gedaan, als proefprocedure aan de Hoge Raad voorgelegd.
De bedrijfsopvolgingsfaciliteit houdt een vrijstelling in van 100% van de waarde van verkregen ondernemingsvermogen tot aan €?1.006.000 en 83% van de waarde die boven dat bedrag uitkomt. Alleen degenen die ondernemingsvermogen erven of geschonken krijgen, hebben recht op die vrijstelling. Volgens de Rechtbank Breda hebben ook verkrijgers van particuliere vermogens recht op deze vrijstelling. De advocaat-generaal vond ook dat sprake was van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
De Hoge Raad heeft in deze uitspraken geoordeeld dat het internationale gelijkheidsbeginsel niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar alleen die waarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van verboden discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. De internationale normen laten de wetgever op fiscaal gebied hierbij in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid. Als het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient de keuze van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke…

Terug naar overzicht