Sign. - 53. Incidenteel verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad toegewezen


V gaat in hoger beroep tegen een alimentatiebeschikking van de rechtbank. In het hoger beroep dient M een incidenteel verzoek in tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. Het hof geeft de maatstaven weer die moeten worden gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of een beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, en wijst het verzoek van M toe.
M erkent dat hij in eerste aanleg niet uitdrukkelijk heeft verzocht om een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de door de rechtbank te nemen beslissing. Echter, nu V informatie over haar inkomsten heeft achtergehouden, dient dit voor haar eigen rekening en risico te komen. Bovendien, zo stelt M, zou de rechtbank, als hij dat verzocht had, uitvoerbaarverklaring bij voorraad hebben toegewezen. Dat volgt immers uit het feit dat de rechtbank in haar beschikking een ingangsdatum heeft genoemd (27 juni 2013) voor de lagere door M te betalen partneralimentatie.
M wijst erop dat voor hem het aanzienlijke risico bestaat dat hij de krachtens de (als gevolg van het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren) thans nog vigerende beschikking van 17 mei 2004 teveel door V geïncasseerde partneralimentatie niet terug zal ontvangen vanwege het consumptieve karakter daarvan. M heeft derhalve belang bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.
Volgens V is er, nu M in eerste aanleg niet om uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft verzocht, geen sprake van een kennelijke misslag of omissie van de rechtbank. V is voorts van mening dat M ten onrechte op inhoudelijke punten ingaat – daar is in deze procedure geen plaats voor. Volgens V gaat het hier om een belangenafweging: M had zijn belang (…

Verder lezen
Terug naar overzicht