Sign. - 54. Hof heeft bewijsaanbod ten onrechte gepasseerd


M en V waren in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. In het kader van hun echtscheiding twisten M en V onder meer over de vraag of M geld van zijn zuster heeft geleend. M heeft ten bewijze van de geldlening onder meer een handgeschreven brief van zijn zuster overgelegd, gedateerd 20 februari 1980, en getuigenbewijs aangeboden door het horen van zichzelf en zijn zuster. Het hof overwoog: 'Op basis van de brief van de zuster aan de man is het hof van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat op datum ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap de schuld aan de zuster nog bestond en dus behoorde tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Door de man wordt zelf erkend dat de rente niet is verwerkt in zijn aangifte. Indien er sprake was van een reële schuld had de man deze sinds de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 in zijn fiscale aangifte (box 3) moeten opnemen ook als er geen rente verschuldigd is. Naar het oordeel van het hof heeft de man alle gelegenheid gehad om schriftelijk bewijs – zoals de aangiften inkomstenbelasting – in het geding te brengen. Nu hij dit niet heeft gedaan, komt dit voor zijn rekening en risico. Het hof zal het bewijsaanbod van de man (...) passeren, aangezien hij niet aangeeft wat [hij en zijn zuster] anders of meer kunnen verklaren dan hetgeen is vermeld in de betreffende brief van de zuster aan de man.'
In cassatie klaagt M dat het hof ten onrechte en op onjuiste gronden het bewijsaanbod heeft gepasseerd, waarbij hij er tevens op wijst dat hij bij akte nog een tweede brief van zijn zuster heeft overgelegd waarin…

Terug naar overzicht