Sign. - 89. Na pensioenverevening geen behoeftigheid


M en V verzoeken de rechtbank de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Daarbij verzoekt V dat de door M te betalen partneralimentatie wordt vastgesteld op € 3.066 per maand. M betwist zowel de door V gestelde behoefte als zijn door haar beargumenteerde draagkracht. Nu zowel M als V hebben nagelaten hun stellingen met bescheiden te onderbouwen, en mede gezien het feit dat zij het erover eens zijn dat het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk € 3.427 netto per maand bedroeg, ziet de rechtbank aanleiding om de hof-formule toe te passen, waarbij de huwelijksgerelateerde behoefte wordt gesteld op 60% van het netto gezinsinkomen. Op basis van deze berekening bedraagt de behoefte van V € 2.055 netto per maand.
Vervolgens dient bezien te worden in hoeverre V in staat is om zelfstandig in deze behoefte te voorzien en of er derhalve nog sprake is van behoeftigheid. Volgens de accountant van partijen, die zich hiervoor baseert op de pensioenoverzichten 2012 van M, komt, tot de datum waarop M de leeftijd van 65 jaar bereikt, aan V een totaalbedrag van € 37.094 bruto per jaar van de pensioenen van M toe. Met inachtneming van de heffingskortingen, inkomstenbelasting en ZVW-bijdrage, resteert er voor V alsdan een besteedbaar inkomen van € 2.015 per maand. Nu de berekende behoefte van V hiermee nagenoeg overeenkomt, is bij haar geen sprake van behoeftigheid en ziet de rechtbank geen aanleiding om voor die periode een door M aan V te betalen partneralimentatie te bepalen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om voor de periode nadat M 65 jaar is geworden een…

Verder lezen
Terug naar overzicht