Sign. - 90. Geen einde partneralimentatie door samenwonen met nieuwe gehuwde partner


M en V zijn in 1992 met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 2010 door echtscheiding is ontbonden. In hun echtscheidingsconvenant zijn partijen overeengekomen dat M maandelijks aan V een bedrag van € 1.545 aan partneralimentatie verschuldigd is. V woont sinds mei 2010 samen met haar nieuwe partner X. X is nog steeds gehuwd. M verzoekt voor recht te verklaren dat zijn alimentatieverplichting krachtens artikel 1:160 BW (samenwonen als waren zij gehuwd) is geëindigd. De rechtbank wijst het verzoek af. In hoger beroep honoreert het hof het verzoek alsnog, daartoe het volgende in aanmerking nemende:
- het concubinaat van V en X valt binnen de werkingssfeer van artikel 1:160 BW;
- het is voldoende aannemelijk dat X zijn huwelijk in stand heeft gelaten teneinde de alimentatieaanspraken van V jegens M te laten voortduren. In deze situatie kan de omstandigheid dat X (nog) gehuwd is niet in de weg staan aan de toepasselijkheid van artikel 1:160 BW;
- de lotsverbondenheid tussen M en V, die de basis vormt voor partneralimentatie, is met ingang van 1 mei 2010 komen te vervallen, nu V ervoor gekozen heeft om per die datum met X te gaan samenleven.
In cassatie betoogt V dat het hof heeft miskend dat artikel 1:160 BW toepassing mist indien de nieuwe partner van de alimentatiegerechtigde nog gehuwd is, waaraan niet afdoet dat het huwelijk van de derde opzettelijk in stand zou worden gehouden om aanspraak te kunnen blijven houden op partneralimentatie.
De Hoge Raad overweegt als volgt. In HR 13 juli 2001 (ECLI:NL:HR:2001:ZC3603) …

Terug naar overzicht