Sign. - 92. Weigeren DNA-onderzoek leidt tot alimentatieplicht


V stelt dat M de verwekker is van de minderjarige. Ter onderbouwing van deze stelling voert zij aan dat partijen gedurende hun relatie er bewust voor hebben gekozen om een kind te krijgen en dat M vanaf het begin van de zwangerschap op de hoogte is gesteld van zijn verwekkerschap. M erkent dat hij een korte relatie met V heeft gehad en seksueel contact met haar heeft gehad, maar betwist dat hij de verwekker is. Hij weigert echter mee te werken aan een DNA-onderzoek.
Nu M de stelling van V dat hij de verwekker is van de minderjarige onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en bovendien niet heeft meegewerkt aan het door de rechtbank noodzakelijk geoordeelde DNA-onderzoek, merkt de rechtbank hem aan als de verwekker van de minderjarige. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van M dat hij niet kan worden aangemerkt als degene die met de daad van verwekking heeft ingestemd (artikel 1:200 lid 3 BW), aangezien hij niet de levensgezel is van V die heeft ingestemd met geslachtsgemeenschap tussen haar en een andere man, dan wel van kunstmatige donorinseminatie of IVF.
Als verwekker van de minderjarige is M op grond van artikel 1:394 en 1:392 BW gehouden tot het verstrekken van een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
In een situatie waarin de minderjarige nimmer in gezinsverband met beide ouders heeft geleefd, zoals in casu, beveelt de Expertgroep Alimentatienormen 2013 aan het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder (inclusief het voor het desbetreffende kind te ontvangen kindgebonden budget) en de behoefte op…

Verder lezen
Terug naar overzicht