Sign. - Aanbieden beleggingsobjecten zonder vergunning


Het hoger beroep van Investerra richt zich in de eerste plaats tegen de overweging van de rechtbank dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat Investerra in het geheel geen verwijt van de overtreding van art. 2:55 Wft valt te maken. Hoewel het begrip beleggingsobject in art. 1:1 Wft in algemene bewoordingen is gedefinieerd, ziet het College geen aanknopingspunt voor het oordeel dat voor Investerra onvoldoende duidelijk is geweest dat de door haar aangeboden landbouwgronden vielen onder het toepassingsbereik van deze bepaling. Door kennis te nemen van de tekst en de daarbij behorende toelichting heeft Investerra zich een goed beeld kunnen vormen van dat toepassingsbereik. De rechtbank heeft verder op goede gronden overwogen dat Investerra uit de uitspraken van het College van 20 september 2005 («jOR» 2005/251) en 30 januari 2007 heeft kunnen afleiden dat aan de intentie van partijen gewicht toekomt bij de vaststelling of al dan niet sprake is van een bepaald financieel product. Dat de AFM pas eind 2008 een standpunt heeft ingenomen over de kwalificatie van landbouwgronden als de onderhavige als beleggingsobject, maakt het voorgaande niet anders. Het College volgt niet het betoog van Investerra dat zij zonder meer mocht afgaan op de juridische adviezen van mr. X. De aard en inhoud van de adviezen is van dien aard dat de rechtbank daarin naar het oordeel van het College terecht geen aanleiding heeft gevonden voor het oordeel dat Investerra in het geheel geen verwijt van de overtreding valt te maken. In de adviezen wordt immers niet ingegaan op het bij de kooptransacties bepalende element dat het gaat om gronden waarvan verwacht wordt dat zij binnen afzienbare tijd een bestemmingswijziging…

Verder lezen
Terug naar overzicht