Sign. - Aanspraak op stamrecht?


M en V zijn in 1988 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden die inhouden een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en die onder meer een verrekenbeding (artikel 11) en een pensioenbepaling (artikel 14) bevatten. Artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden begint met de volgende zinsnede: 'Ingeval van ontbinding van het huwelijk anders dan tengevolge van overlijden zullen de echtgenoten met betrekking tot aanspraken op al of niet ingegaan pensioen en hetgeen daarvoor is opgeofferd onderling een redelijke en billijke regeling of afrekening treffen op grondslag van de opbouw van die aanspraken gedurende het bestaan van het huwelijk (...).' Het huwelijk van partijen is in 1999 ontbonden door echtscheiding. Partijen hebben bij de financiële afwikkeling van hun huwelijk op een groot aantal punten verschil van mening gekregen. In dit hoger beroep gaat het alleen nog om de afwikkeling van het verrekenbeding en om de kwestie van het stamrecht en de lijfrentepolis. Bij tussenvonnis van 15 juni 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een op een pensioen gelijkende voorziening. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen (1) dat M overigens geen pensioen heeft opgebouwd, (2) dat de strekking van de voorziening onmiskenbaar een aanvullende oudedagsvoorziening betreft, die bestemd is om te voorzien in de behoefte aan levensonderhoud van beide partijen, terwijl (3) de inbreng van de uit een dienstverband verkregen ontslagvergoeding in een stamrecht-BV gelijk kan worden gesteld met het betalen van pensioenpremies. De rechtbank heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door hen voorgestane afrekening in de zin van artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden. M heeft daarop laten weten dat volgens hem V in…

Terug naar overzicht