Sign. - Aanspraken uit stamrechtovereenkomst niet verknocht


M en V zijn in 2003 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 2011 door echtscheiding is ontbonden. V heeft in 2008 van haar oude werkgever een ontslagvergoeding van €?69.207 ontvangen. Zij heeft deze vergoeding ondergebracht in een stamrecht-BV. Met die vennootschap is V overeengekomen dat zij uit de BV uiterlijk ingaande de maand waarin zij de 65-jarige leeftijd bereikt, periodieke uitkeringen zal ontvangen. Aanvankelijk heeft V – in overleg met M – besloten geen gebruik te maken van de mogelijkheid periodieke uitkeringen te ontvangen, omdat partijen destijds over voldoende andere inkomsten beschikten. Nadat partijen hun relatie hadden verbroken, heeft V in totaal € 29.070 uit de BV opgenomen, welk bedrag – naar zij stelt – aan de BV dient te worden terugbetaald. Partijen twisten onder meer over de vraag of de uit de stamrechtovereenkomst voortvloeiende aanspraken aan V verknocht zijn (artikel 1:94 lid 3 BW).
In tegenstelling tot de rechtbank is er naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval onvoldoende aanleiding om verknochtheid aan te nemen. V heeft van haar voormalig werkgever een bedrag ineens ontvangen, dat zij vervolgens heeft ondergebracht in een stamrecht-BV. In de stamrechtovereenkomst is weliswaar bepaald dat de periodieke uitkeringen worden beschouwd als loon uit vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of soortgelijke uitkeringen, maar daarmee kunnen de te ontvangen periodieke uitkeringen nog niet worden beschouwd als vervanging van het inkomen dat V bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben ontvangen (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080). Het staat V, op grond van…

Terug naar overzicht