Sign. - Afspraak over voortgezette bewoning achterblijvende partner was waardedrukkend voor erfenis


M is eigenaar van een woning. Na het overlijden van zijn echtgenote gaat M samenwonen met V. In 2003 overlijdt M. Vóór zijn overlijden maakt hij met zijn twee zoons (zijn enige erfgenamen) de afspraak dat V na zijn overlijden gratis in de woning mag blijven wonen. De waarde van de woning bedraagt op de sterfdatum van M € 450.000. De zoons nemen in hun aangifte successierecht (thans erfbelasting) een waardedrukkende factor van 20% in aanmerking in verband met de voortgezette bewoning van V. Daarbij gaan zij, conform de tabellen van de Successiewet, uit van een gemiddelde resterende levensverwachting van 4,1 jaar van V. De belastinginspecteur gaat echter uit van de vrije verkoopwaarde van de woning.
De rechtbank stelt de inspecteur (op basis van HR 6 april 2007, LJN AX0771) in het gelijk. De zoons gaan daarop in hoger beroep. Volgens hen is er sprake van een door M opgelegde last, waarvan de waarde in mindering moet komen op de waarde van de erfrechtelijke verkrijgingen.
Het hof hecht geloof aan de verklaringen van de zoons en ook dat V deze (als derdenbeding te kwalificeren) afspraak vóór het overlijden van M had aanvaard. Voor de berekening van de omvang van de erfrechtelijke verkrijgingen door de zoons moet de woning in vrij opleverbare staat worden gewaardeerd, met inachtneming van een waardedrukkende factor. Het hof berekent de waardedrukkende factor volgens de regels van de Successiewet op 18% van de waarde in vrij opleverbare staat.

(Gerechtshof 's-Gravenhage 21 december 2011, LJN BP9740, PWC)

Verder lezen
Terug naar overzicht