Sign. - Afwijking hoofdregel artikel 1:100 BW slechts mogelijk in zeer uitzonderlijke omstandigheden


Tussen M en V, die in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd, is bij beschikking van 16 mei 2007 de echtscheiding uitgesproken. Partijen zijn overeengekomen dat 18 januari 2007 geldt als peildatum voor de vaststelling van de omvang en de waardering van de huwelijksgoederengemeenschap. Partijen strijden om de verdeling van de ontbonden gemeenschap.
M voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte een aantal schulden niet in aanmerking heeft genomen, waaronder een naheffingsaanslag omzetbelasting.
Het hof is met M van oordeel dat een deel van de belastingschuld is ontstaan vóór de peildatum en daarmee in de gemeenschap is gevallen, maar oordeelt ook dat dit gedeelte geheel door M dient te worden gedragen: 'Het hof is van oordeel dat uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat [M] deze schulden alsmede de daarover verschuldigde heffingsrente geheel moet dragen, nu hij [V] niet heeft betrokken bij de discussie en de overleggen met de belastingdienst over de aangiften omzetbelasting over de jaren 2005 en 2006 en evenmin bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst die hij op 1 november 2008 met de belastingdienst heeft gesloten, waarin onder meer is bepaald dat de in geschil zijnde naheffingsaanslag zal worden opgelegd.'
In cassatie klaagt M dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij het toepassen van een uitzondering op de regel dat verdeling bij helfte dient plaats te vinden, althans dat het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
Ingevolge artikel 1:100 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel is niet geheel uitgesloten, maar kan slechts worden aangenomen in…

Verder lezen
Terug naar overzicht