Sign. - Afwikkeling samenlevingsrelatie: geen plicht tot verdeling of verrekening van opgebouwd vermogen


M en V hebben samengewoond. Na het einde van de relatie stelt V dat het tijdens de samenleving opgebouwde vermogen moet worden verdeeld of verrekend. De rechtbank oordeelt dat er, bij gebrek aan een wettelijke regeling, geen rechtsregel is die verplicht tot verdeling of verrekening van vermogen bij het einde van een relatie. De rechtbank ziet geen reden om het bestaan van een stilzwijgend gesloten overeenkomsten tot verdeling of verrekening of maatschap aan te nemen. De vorderingen van V worden (grotendeels) afgewezen.
V vordert de verdeling van het tijdens de samenleving van partijen opgebouwde vermogen, stellende dat dit partijen gemeenschappelijke toebehoort. V voert aan dat partijen zestien jaar met elkaar hebben samengewoond, dat M tijdens de samenleving een boerderij heeft gekocht en dat zij – door het verstrekken van een lening – haar vermogen in de boerderij van M heeft geïnvesteerd. Partijen hebben steeds geleefd alsof het bedrijf van hen beiden was. Zij hebben samen in het bedrijf gewerkt, zonder dat V voor haar arbeidsinpassingen een beloning heeft ontvangen. Volgens V had M zijn bedrijf nooit zonder haar inzet kunnen opbouwen.
Volgens V heeft M steeds beloofd haar juridische positie op een nette en passende manier te regelen en dat partijen daartoe ook een notaris hebben bezocht. Tegen deze achtergrond bepleit V dat partijen stilzwijgend zijn overeengekomen dat zij aan het einde van hun relatie zullen afrekenen alsof het tijdens de samenleving opgebouwde vermogen aan hen gemeenschappelijk toebehoort, althans dat zij stilzwijgend zijn overeengekomen dat zij zullen afrekenen alsof er tussen hen een verrekenbeding bestond. Volgens V vloeit een en ander ook voort uit de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen voormalige samenwoners en…

Terug naar overzicht