Sign. - Alimentatieperikelen. Hof berekent de werkelijke jaarlijkse opbrengsten uit verhuur van de man


Pand A wordt door de man verhuurd aan zoon 1, die tevens werknemer is van de bv van de man. Zoon 1 betaalt daarvoor € 511 per maand. Volgens de vrouw kan het pand verhuurd worden voor € 1.002 per maand. Het hof volgt de vrouw daarin niet. De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het pand een dienstwoning betreft en dat deze niet (gemakkelijk) aan een derde, niet werknemer, verhuurd kan worden. Het hof gaat dan ook uit van de huur die de man blijkens de afschriften daadwerkelijk ontvangt.
Pand B wordt verhuurd voor € 2.000 per maand. Blijkens de door de man overgelegde huurovereenkomst voor dit pand wordt de huur jaarlijks aangepast en bedraagt de huur met ingang van 1 oktober 2012 €?2.052 per maand. Het hof gaat uit van dit bedrag, nu dit het bedrag is dat aan de man op grond van de gesloten huurovereenkomst is verschuldigd. Het hof verwerpt de stelling van de vrouw dat de huur voor dit pand redelijkerwijs € 3.551,61 zou moeten bedragen bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing daarvoor.
De man bewoont pand C samen met zoon 2. Voor zover de vrouw stelt dat de man daar niet woont, omdat hij samenwoont met zijn nieuwe partner, passeert het hof die stelling, nu de vrouw haar stelling tegenover het gemotiveerde verweer van de man onvoldoende heeft onderbouwd. Zoon 2 heeft verklaard dat hij de man € 250 per maand betaalt voor kost en inwoning. Het hof acht dit bedrag reëel. Het is niet aannemelijk dat een ouder, die samenwoont met een kind…

Terug naar overzicht