Sign. - Artikel 1:160 BW en bewijslastverdeling


M en V zijn in 1984 met elkaar gehuwd en in 2007 gescheiden. In het door partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant is bepaald dat M maandelijks een bepaald bedrag ter zake alimentatie aan V moet betalen. M verzoekt voor recht te verklaren dat zijn alimentatieverplichting is komen te vervallen en dat V gehouden is sinds een bepaalde datum de betaalde alimentatie terug te betalen.
In hoger beroep oordeelt het hof dat de stelling van V (dat de in het echtscheidingsconvenant neergelegde afspraken het verzoek van de man in de weg staan) faalt. In casu is geen nihilstelling van de alimentatie verzocht, maar heeft M gesteld dat zijn alimentatieverplichting is geëindigd omdat V is gaan samenwonen met haar partner als ware zij gehuwd.
Het hof heeft in haar tussenarrest van 26 juli 2011 (LJN BW1261) overwogen dat de bewijslast in dezen op M rust, aangezien hij een beroep heeft gedaan op het rechtsgevolg (het eindigen van zijn verplichting tot het betalen van partneralimentatie zoals bedoeld in artikel 1:160 BW) van zijn stelling dat V samenwoont met een ander als waren zij gehuwd. Het hof heeft daarnaast overwogen dat V haar betwistingen onvoldoende onderbouwd heeft en heeft haar – onder verwijzing naar artikel 22 Rv – bevolen financiële stukken over te leggen waaruit – onder meer – blijkt dat zij huur betaald heeft aan degene waarmee ze samenwoont en dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet.
V heeft een huurovereenkomst overgelegd. M heeft gesteld dat deze vals is, maar heeft in dat kader – in de visie van het hof – onvoldoende gesteld. Daarnaast heeft V bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij maandelijks huur heeft voldaan. Uit de…

Terug naar overzicht