Sign. - Behoefte bepaald aan de hand van privé-onttrekkingen


M en V zijn in 1984 met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk drie (thans meerderjarige) kinderen zijn geboren. Het huwelijk van partijen is in 2013 door echtscheiding ontbonden. Partijen twisten over (1) de behoefte van V aan partneralimentatie en (2) de draagkracht van M. De rechtbank heeft de door M aan V te betalen partneralimentatie op € 6.434 per maand vastgesteld. M, die een agrarische onderneming exploiteert en inmiddels met zijn nieuwe partner samenwoont, gaat in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat voor de bepaling van de welstand niet alleen van belang is hoe hoog het formele inkomen van partijen tijdens het huwelijk was, maar ook welk bedrag zij pleegden uit te geven. Wanneer – zoals M stelt – grotendeels werd geleefd van geld dat via de bedrijven van M van de bank werd geleend, brengt dat niet mee dat bij de vaststelling van de welstand tijdens het huwelijk die geleende gelden buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten; feit is immers dat aldus geleefd is en de welstand dus mede door die gelden werd bepaald. Het hof gaat daarom, bij het vaststellen van de behoefte van V, uit van de privé-onttrekkingen zoals deze blijken uit de jaarstukken van [onderneming 1], nu het deze onttrekkingen zijn geweest waarvan partijen hebben geleefd . Daarbij hanteert het hof het gemiddelde van de privé-onttrekkingen over de laatste vijf jaren voorafgaand aan het feitelijk uiteengaan van partijen (€ 54.385 per jaar, hetgeen neerkomt op een 'gezinsinkomen' van € 4.532 per maand). De onttrekkingen uit [onderneming 2] laat het hof buiten…

Terug naar overzicht