Sign. - Benadeling van de huwelijksgoederengemeenschap


De schulden aan de familie van M zijn vóór het huwelijk van partijen, in 1980 respectievelijk 1989, door M aangegaan. Tot de periode rond de echtscheiding was V niet bekend met een verplichting tot terugbetaling van de in 1980 door de familie van M ter beschikking gestelde gelden. Evenmin was zij in die periode bekend met de schuldbekentenis van 1989. Pas in de periode rond de echtscheiding (30 respectievelijk 21 jaar nadat de schulden door M zijn aangegaan) heeft de familie van M te kennen gegeven dat zij terugbetaling van hun vorderingen wenst. De verjaringstermijn van de vorderingen was op dat moment voltooid.
In de onderhavige procedure heeft M aanvankelijk verstek laten gaan. Eerst nadat V kennis had gekregen van de procedure en daarin was tussengekomen, heeft M de vorderingen van zijn familieleden erkend en, zoals hij zelf stelt, afstand gedaan van zijn recht om een beroep te doen op de verjaring. Dientengevolge zijn de vorderingen van de familie van M jegens hem rechtens afdwingbaar gebleven en kunnen zij op de huwelijksgemeenschap worden verhaald.
M stelt dat hij ervoor gekozen heeft geen beroep op de verjaring te doen, omdat het voor hem om een ereschuld gaat. Zo dit al het geval is, gaat dit karakter van de schulden naar het oordeel van het hof alleen M aan, nu het schulden aan uitsluitend zijn eigen familieleden betreft. Bij de keuze die M heeft gemaakt, spelen evenwel niet alleen zijn eigen belangen een rol, maar ook die van V, nu die keuze tot gevolg heeft dat de vorderingen van de familie van M, in weerwil van de voltooiing van de verjaringstermijn, op…

Verder lezen
Terug naar overzicht