Sign. - Beoordeling inspanning van een lidstaat met het oog op de terugkeer van een ontvoerd kind


Özmen is in 2000 gehuwd en heeft met zijn partner een kind gekregen. Het gezin heeft steeds in Australië gewoond. In 2005 is een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. Ondanks verzet van Özmen heeft de vrouw toestemming gekregen om voor korte tijd met het kind naar Turkije te gaan. Vrouw en kind zijn echter nimmer teruggekeerd. De Australische rechter heeft om die reden in een voorlopige beslissing het gezag over het kind aan Özmen toegekend en de terugkeer van het kind gelast. De vrouw is vervolgens een echtscheidingsprocedure in Turkije gestart en heeft tevens verzocht het gezag van het kind aan haar toe te kennen. Uiteindelijk wordt ook in de Turkse procedure het gezag over het kind aan de man toegekend en wordt de terugkeer van het kind naar Australië bevolen. De executie van de beslissing tot de teruggeleiding van het kind naar Australië is echter niet succesvol.
Özmen klaagt bij het EHRM dat het onmogelijk is gebleken om het kind terug naar het land van oorsprong te brengen. Dit heeft een negatief effect op zijn familie en het kind. Hij heeft aangegeven zich zorgen te maken over de gezondheid van het kind, aangezien hij geen enkele informatie krijgt. Het EHRM interpreteert dit als een klacht op grond van artikel 8 EVRM.
Volgens Özmen hebben de Turkse autoriteiten onvoldoende actie ondernomen om de terugkeer van het kind te verzekeren. Ze hebben uitsluitend onderzoek gedaan naar door Özmen aangeleverde adressen en naar abonnementen op elektriciteit, gas of water in de regio van Ankara op de naam van de vrouw, hebben slechts in 2008 onderzoek verricht naar waar het kind op school zat en hebben zijn ex-vrouw laten gaan nadat…

Verder lezen
Terug naar overzicht