Sign. - Beoordeling overeenkomsten waarbij onderhoudsverplichting vader gewijzigd wordt


De vader en de (meerderjarige) dochter zijn overeengekomen dat de onderhoudsverplichting aan de zijde van de vader in eerste instantie verminderd wordt en vervolgens op nihil wordt gesteld. De dochter zet echter de executie met betrekking tot de onderhoudsverplichting – die op de vader rust c.q. heeft gerust – door. De vader spant een kort geding aan met het oog op het opheffen van de executiemiddelen.
Op 27 maart 2009 zijn de vader en de dochter het volgende overeengekomen: 'Hierbij verklaren [dochter] en [vader] dat de maandelijkse alimentatie rechtstreeks vanaf 01-06-2009 naar [dochter] wordt overgemaakt. [Dochter] ontvangt een bedrag van € 175.00 per maand wat per de eerste van de maand op haar eigen rekening wordt gestort.'
Op 18 november 2009 zijn de vader en de dochter het volgende overeengekomen: 'Hierbij verklaren [dochter] en [vader], dat de kinderalimentatie voor [dochter] stop wordt gezet per 01-01-2010. [Dochter] verklaard dat zij afziet van de kinderalimentatie, omdat ze haar eigen inkomen verdient. De laatste betaling van € 175,00 wordt overgemaakt december 2009.' Artikel 1:400 lid 2 BW bepaalt dat overeenkomsten waarbij definitief van de volgens de wet geldende alimentatieverplichting wordt afgezien, nietig zijn. De onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige mogen echter wel afspraken maken over de hoogte van het verschuldigde bedrag. De voorzieningenrechter wijst voorts naar het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 1999 (LJN AD3098), waarin werd geoordeeld dat het de onderhoudsgerechtigde vrijstaat om af te zien van een (verdere) financiële bijdrage. De door partijen…

Terug naar overzicht