Sign. - Bevoegdheid rechtbank bij Marokkaanse echtscheiding


Partijen zijn in 2002 in Marokko gehuwd. In 2005 is dochter Z geboren. In 2009 heeft de Nederlandse rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Partijen hadden ten tijde van het indienen van het verzoekschrift hun gewone verblijfplaats in Nederland. De rechtbank constateerde daarbij dat in 2008 reeds in Marokko de echtscheiding was uitgesproken. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van het hoofdverblijf van Z en het alimentatieverzoek, aangezien de Marokkaanse beslissing voor erkenning in aanmerking kwam. De vrouw gaat daarop in hoger beroep.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat deze Marokkaanse beslissing op grond van artikel 2 WCE in Nederland voor erkenning in aanmerking komt. Had de rechtbank hiervan tijdig kennis gehad, dan was het echtscheidingsverzoek, zo constateert het hof, niet door de rechtbank toegewezen. Dat dit nu ten onrechte wel is gebeurd, is te wijten aan partijen, die de rechtbank pas na de totstandkoming van de tussenbeschikking hebben voorgelicht over het bestaan van het Marokkaanse echtscheidingsvonnis.
Het hof stelt vast dat zowel partijen als Z woonachtig waren in Nederland ten tijde van de procedure in Marokko c.q. het Marokkaanse vonnis. De bevoegdheid van de rechter in Marokko kan derhalve niet worden aangenomen, zodat het vonnis van de rechtbank in Tanger, voor zover daarbij het hoofdverblijf van Z is bepaald, niet kan worden erkend. Het hof is, op basis van de eerder gebruikte overwegingen, van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is een oordeel te geven over de omgangsregeling tussen de man en Z. Daarbij dient Nederlands recht te worden toegepast.

(Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5 oktober 2011, LJN BU4236…

Terug naar overzicht