Sign. - Borgstellende man vervalst handtekening – echtgenote mag vernietigen


Bij het aangaan van borgtocht heeft M de handtekening van zijn echtgenote V vervalst. V vernietigt de borgtocht op grond van artikel 1:89 BW. De bank betoogt dat de goede trouw in artikel 1:89 lid 2 BW aan deze vernietiging in de weg staat, omdat de bank er gerechtvaardigd op vertrouwd heeft dat V de borgtochtovereenkomst had ondertekend.
Bij de beoordeling van de kwestie stelt het hof voorop dat de stelplicht en de bewijslast wat betreft haar goede trouw in de zin van artikel 1:89 lid 2 BW, op de bank rust. Aan de orde is dan de vraag of de bank in de gegeven omstandigheden aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan door de – mede aan V gerichte – brief met de akte van borgtocht naar het huisadres het echtpaar te sturen en vervolgens genoegen te nemen met het feit dat zij de stukken voorzien van de (naar achteraf gebleken vervalste) handtekening van (ook) V terug ontving. Naar het oordeel van het hof rust op een professionele partij als de bank een nadere onderzoeksplicht in die zin dat zij moet verifiëren of de echtgenote daadwerkelijk akkoord gaat met de borgstelling. Nu de bank enkel is afgegaan op een stuk dat buiten haar aanwezigheid is ondertekend, kan zij niet te goeder trouw worden geacht. V heeft de borgtocht rechtsgeldig vernietigd.
V handelt naar het oordeel van het hof ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar door jegens de bank een beroep te doen op de vernietiging van de borgtochtovereenkomst. De stelling van de bank dat V de gevolgen van het handelen van M moet dragen, omdat zij er zelf voor heeft…

Terug naar overzicht