Sign. - Geen aanleiding beoordeling prejudiciële vraag


De door de rechtbank gestelde vraag luidt: "Is art. 2:11 BW ook van toepassing in het geval waarin een Nederlandse rechtspersoon bestuurd wordt door een buitenlandse rechtspersoon, in die zin dat de aansprakelijkheid van die buitenlandse, besturende rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op hen die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de besturende rechtspersoon daarvan bestuurder zijn?" art. 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon, tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van die aansprakelijkheid van de rechtspersoon, daarvan bestuurder is. De vraag of deze regel van Nederlands rechtspersonenrecht toepassing kan vinden in een geval waarin buitenlandse rechtspersonen zijn betrokken, dient te worden beantwoord aan de hand van het Nederlandse internationaal privaatrecht. Zoals in het arrest van de Hoge raad van 18 maart 2011 («JOR» 2011/144) is overwogen, wordt de vraag wie uit hoofde van een bepaalde hoedanigheid, zoals die van bestuurder van een corporatie, naast de corporatie aansprakelijk is, naar Nederlands internationaal privaatrecht beheerst door het op die corporaties toepasselijke recht (thans art. 10:119 aanhef en onder e BW). Daaruit volgt dat een bestuurder slechts op grond van art. 2:11 BW aansprakelijk kan worden gehouden, indien de door hem bestuurde aansprakelijke rechtspersoonbestuurder een Nederlandse rechtspersoon is. De door de rechtbank voorgelegde vraag heeft in het arrest van 2011 reeds zijn beantwoording gevonden, zodat voor beantwoording door de Hoge raad op de voet van art. 392 e.v. rv geen aanleiding is. Verhagen vraagt zich in zijn noot af of de door…

Verder lezen
Terug naar overzicht