Sign. - Geen adoptie op grond van Indonesisch gewoonterecht


X is in 1934 in Indonesië geboren. Een jaar na haar geboorte is zij in huis genomen door de op Sumatra wonende echtelieden M en V. In 1948 is M tot tijdelijk voogd over X benoemd. Twee jaar later heeft X de Nederlandse nationaliteit gekregen. In 1959 heeft X de geslachtsnaam van M verkregen. M is in 1969 zonder testament overleden. V is in 2002 in Nederland overleden. V heeft laatstelijk in 1980 een testament opgemaakt, op basis waarvan zij geen erfgenamen achterlaat. X verzoekt de rechtbank te verklaren dat zij erfrechtelijk als de dochter van M en V gezien dient te worden en als zodanig recht heeft op de nalatenschap. Volgens V dient de wijze waarop zij in het gezin van M en V is opgenomen, gelijk te worden gesteld met de situatie waarin zij zou zijn geadopteerd, zodat een familierechtelijke afstammingsrelatie tot stand is gekomen. Het gevolg daarvan is, zo betoogt V, dat zij als erfgename van V kan worden aangemerkt en voor erfopvolging (ex artikel 4:10 BW) in aanmerking komt. Daarnaast heeft zij dan recht op verdeling van de nalatenschap (ex artikel 4:227 e.v. BW).
De rechtbank wijst het verzoek van V af. V gaat in hoger beroep.
M was tot voogd benoemd, had samen met V het ouderlijk gezag over X en tussen hen drieën heeft gedurende een zekere periode family life (artikel 8 EVRM) bestaan. In 1956 is in Nederland de adoptiewetgeving in werking getreden. X was toen echter reeds meerderjarig. M heeft, aldus V, in 1957 bij de gemeente Haarlem verklaard dat…

Terug naar overzicht