Sign. - Geen afspraken in convenant over voortgezet gebruik woning


M en V zijn in 2007 een geregistreerd partnerschap aangegaan, waaraan in 2008 een einde is gekomen. Partijen hebben een convenant gesloten waarin zij de gevolgen van de beëindiging van hun geregistreerd partnerschap hebben geregeld. De gemeenschap van goederen omvatte onder meer een woning en een daarop rustende hypothecaire schuld van € 228.500. Partijen zijn in het convenant overeengekomen (1) dat de woning wordt verkocht en dat uit de verkoopopbrengst de hypothecaire schuld zal worden afgelost, (2) dat partijen een eventuele restschuld pondspondsgewijs zullen verdelen, (3) dat de levensverzekeringsovereenkomst zal worden beëindigd en (4) dat, totdat de woning is verkocht, de kosten van de woning zullen worden verdeeld op een wijze als is weergegeven in een aan het convenant gehecht overzicht.
In oktober 2008 heeft V de woning verlaten. M is daarin blijven wonen. Vanaf dat moment betalen partijen ieder voor zich de helft van de maandelijkse woonlasten, bestaande uit hypothecaire rente, levensverzekeringspremie, OZB en opstalverzekeringspremie. De vraagprijs voor de woning was aanvankelijk € 215.000. Recent is deze prijs verlaagd tot € 189.000.
V verzoekt de kantonrechter de met M getroffen regeling over de woning buiten werking te stellen, dan wel deze regeling te wijzigen. Volgens V voorziet het convenant niet in de situatie dat M in de woning blijft wonen. Nu een regeling over het voortgezet gebruik door M ontbreekt, dient op grond van artikel 3:168 lid 2 BW een regeling te worden getroffen die erop neerkomt dat alle woonlasten door M volledig worden betaald en gedragen zulks zolang hij het gebruik en genot van de woning heeft. …

Verder lezen
Terug naar overzicht