Sign. - Geen afstorting van pensioen door dga omdat anders faillissement dreigt


Als gevolg van een echtscheiding heeft V op grond van de Wet verevening pensioenrechten recht op een deel van het pensioen dat M in zijn eigen BV heeft opgebouwd. Enkele jaren na de echtscheiding vordert V in kort geding dat M de waarde van haar aanspraak afstort bij een externe verzekeraar. In hoger beroep wijst het hof de vordering af, omdat afstorting zeer waarschijnlijk leidt tot een faillissement van M en/of de BV.
Het hof stelt vast dat van M in beginsel mag worden verlangd dat hij ervoor zorg draagt dat de in de BV opgebouwde pensioenrechten van V worden afgestort bij een externe verzekeraar, tenzij de continuïteit van de BV in gevaar komt.
Volgens M kan, door wijzigingen van omstandigheden, niet meer worden overgegaan tot afstorting van de pensioenaanspraken, vanwege het risico dat hij en/of de BV failliet gaan. Ten tijde van de echtscheiding was begroot dat voor afstorting een bedrag van € 186.375 nodig was, maar door de lage rentestand is op dit moment €?684.807 nodig, terwijl de pensioenvoorziening in de BV slechts € 456.697 bedraagt. V voert aan dat M – door afstorting van het pensioen uit te stellen – het risico heeft genomen dat de pensioenberekening zou veranderen. Verder stelt V dat het voor risico van M komt dat hij heeft gerekend met 4%, in plaats van een commerciële rente.
Het hof is van oordeel dat in een kortgedingprocedure over afstorting van dekkingsvermogen bij een externe pensioenuitvoerder een grote mate van terughoudendheid moet worden betracht. De rechter zal daarbij rekening moeten houden met de dwingendrechtelijke bepalingen van boek 2 BW (artikel 2…

Verder lezen
Terug naar overzicht