Sign. - Geen behoeftigheid voor meerderjarige dochter


D is de meerderjarige dochter van M. Zij volgt een studie en ontvangt studiefinanciering. D verzoekt te bepalen dat M een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en studie dient te betalen van € 250 per maand. De rechtbank heeft de door M aan D te betalen bijdrage vastgesteld op € 189,98 per maand. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er in de huidige tijd niet meer vanuit kan worden gegaan dat er voldoende werk is voor iedereen en dat het aantal beschikbare banen – zeker voor mensen zonder diploma – niet hoog te noemen is. M gaat in hoger beroep. Volgens hem kan hij – op grond van de wet en op grond van HR 9 september 1983 (LJN AG4642) – niet worden verplicht om een bijdrage te voldoen aan D na haar 21e levensjaar ter zake de kosten van haar levensonderhoud en studie. De rechtbank is naar de mening van M ten onrechte afgeweken van de overweging van de Hoge Raad in voorgenoemd arrest dat het niet de strekking is van artikel 1:392 BW ouders te verplichten hun meerderjarige kinderen, die overigens in staat zijn door arbeid in hun eigen levensonderhoud te voorzien, door het verstrekken van een uitkering in staat te stellen tot het volgen of voltooien van een opleiding. Volgens D is het volgen van een opleiding voor haar noodzakelijk om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.
Het hof volgt het standpunt van M. Het hof overweegt hiertoe dat ingevolge artikel 1:392 lid 1 en lid 2 BW en artikel 1:395a BW de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van ouders aan hun kinderen van 21 jaar en…

Terug naar overzicht