Sign. - Geen beroep op dwaling wegens aard van de vaststellingsovereenkomst


M en V sluiten een geldleningsovereenkomst met de bank voor een flexibel krediet van € 10.500. Na beëindiging van hun affectieve relatie wenden zij zich tot een mediator, die een overeenkomst opstelt die beide partijen ondertekenen. In de overeenkomst komen partijen overeen dat V € 5.000 betaalt aan M en dat M een aantal nader genoemde zaken teruggeeft aan V. Daarnaast verlenen partijen elkaar finale kwijting. Als V niet betaalt, vordert M het bedrag in rechte. V beroept zich onder meer op dwaling. Het hof oordeelt dat, anders dan V betoogt, de verdeling van de schuld uit het flexibel krediet bij de beëindiging van de relatie heeft plaatsgevonden. Partijen hebben immers op dit punt een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin is bepaald dat V – in verband met het flexibel krediet dat zij met M is aangegaan – aan M een bedrag zal betalen van € 5.000.
Uit de overeenkomst blijkt volgens het hof voldoende dat M en V ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een geschil hadden over de verdeling van de leenschuld en dat zij op dit punt hun rechtsverhouding bindend hebben vastgesteld. Dit betekent dat hier sprake van een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW. Het hof overweegt dat de aard van de vaststellingsovereenkomst meebrengt dat partijen geen beroep op dwaling kunnen doen ter zake van hetgeen waarover onzekerheid of een geschil bestond. Dit betekent dat V geen beroep op dwaling toekomt voor zover zij stelt (zoals hier het geval is) dat zij heeft gedwaald over (de hoogte van) het flexibel krediet en de vordering die M in dat verband op haar…

Terug naar overzicht