Sign. - Geen nakoming omgangsregeling tussen minderjarige dochter en voortvluchtige vader


Uit de inmiddels verbroken relatie tussen M en V is in 1998 dochter D geboren. In juni 2011 heeft het hof een omgangsregeling tussen M en D bepaald. D staat sinds november 2012 onder toezicht van de William Schrikker Stichting (WSS). M is gedetineerd, maar is sedert mei 2013 voortvluchtig. M wenst nakoming van de omgangsregeling zoals door het hof bepaald. Volgens hem is, ondanks zijn voortvluchtigheid, omgang in het belang van D.
V en WSS zijn het daar niet mee eens.
De voorzieningenrechter acht het in strijd met de belangen van een minderjarige om een omgangsregeling met de vader af te dwingen, in de situatie dat deze voortvluchtig is. Alsdan kan immers geen omgang plaatsvinden op een veilige, bekende plaats en onder rustige omstandigheden. Voor betrokkenen en zeker voor D geldt dat zij niet dient te worden blootgesteld aan de angsten en risico's die deze situatie met zich meebrengt. Zij dienen daarbij voorts niet in de positie te worden gebracht dat zij het omgangsadres geheim dienen te houden. Daarbij geldt dat het hulp verlenen aan een voortvluchtige onder omstandigheden een misdrijf kan opleveren. D loopt daarbij onder meer het risico dat zij getuige wordt van de aanhouding van M tijdens de omgang en/of in vluchtpogingen wordt betrokken. Dat acht de voorzieningenrechter onaanvaardbaar. Dat betekent dat noch van V noch van WSS in redelijkheid medewerking aan de geldende omgangsregeling kan worden verwacht. De vordering tot nakoming van de omgangsregeling wordt dan ook afgewezen.
De voorzieningenrechter merkt daarbij nog op dat het M zelf is die deze situatie veroorzaakt en daarin verandering kan brengen. Hij kan er zelf voor…

Terug naar overzicht