Sign. - Geen recht op inkomensafhankelijke combinatiekorting voor co-ouder


M en V waren met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk is in 1998 een tweeling geboren. In 2007 is het huwelijk van partijen door echtscheiding ontbonden. In de echtscheidingsbeschikking bepaalde de rechtbank dat de kinderen hun hoofdverblijf bij V hebben, waarbij de rechtbank de volgende omgangsregeling vastgesteld: (1) de kinderen verblijven gedurende zes dagen bij V, waarna zij gedurende vier dagen bij M verblijven, (2) de kinderen verblijven gedurende de zomervakantie voor de helft bij M en voor de helft bij V en (3) de omgang tijdens de overige vakanties en feestdagen wordt door partijen in onderling overleg geregeld. De kinderen stonden in het jaar 2009 ingeschreven op het woonadres van V. De belastinginspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2009 de door M gevraagde inkomensafhankelijke combinatiekorting niet verleend.
Volgens M hebben de kinderen in het jaar 2009, buiten de vakanties om, 40% van de tijd bij hem verbleven. Met het verblijf bij hem tijdens de vakanties daarbij opgeteld, hebben de kinderen in het jaar 2009 volgens M meer dan 42,86% bij hem hebben verbleven. Daarmee is, aldus M, voldaan aan de in de tweede volzin van artikel 44b Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (UR) neergelegde eis dat de kinderen ten minste drie hele dagen per week, of wel ten minste 42,86%, tot zijn huishouden hebben behoord.
De rechtbank verwerpt het betoog van M. Hoewel de rechtbank er niet aan twijfelt dat de kinderen in het jaar 2009 meer dan 42,86% van de tijd bij M verbleven, brengt dit niet mee dat daarmee…

Verder lezen
Terug naar overzicht