Sign. - Geen recht op uitbetaling van de overwaarde van de onverkochte echtelijke woning


M en V waren in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 2009 door echtscheiding is ontbonden. Tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoorde de voormalig echtelijke woning. Partijen zijn het erover eens dat de woning dient te worden verkocht en dat uit de verkoopopbrengst de hypothecaire lening dient te worden afgelost. Ook zijn partijen het erover eens dat de restantopbrengst (de overwaarde) bij helfte tussen hen verdeeld dient te worden. Sinds september 2008 staat de woning bij een makelaar te koop. De vraagprijs was aanvankelijk € 325.000. Tot op heden is de woning niet verkocht, ondanks dat de vraagprijs inmiddels is verlaagd naar € 250.000. Het saldo van hypotheek bedraagt thans ongeveer € 136.000. Eind oktober 2008 heeft M de woning verlaten en zijn intrek genomen bij zijn huidige echtgenote. Op 2 november 2011 heeft de rechtbank, na een eerdere tussenbeschikking, de eindbeschikking gegeven betreffende de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen.
Bij dagvaarding van 24 augustus 2012 heeft V M in kort geding gedagvaard en gevorderd dat M een bedrag aan haar voldoet, bestaande uit de helft van het verschil tussen € 250.000 en het saldo van de hypothecaire geldlening. Bij vonnis van 25 september 2012 overwoog de voorzieningenrechter 'dat er geen enkele aanleiding is om af te wijken van de wijze van verdeling zoals in de beschikking van 2 november 2011 is vastgelegd. (...) Dat het vooralsnog niet tot de verkoop van de echtelijke woning is gekomen, is een risico dat door beide partijen gedragen dient te worden. Partijen zijn immers gezamenlijk eigenaar en zijn ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening…

Terug naar overzicht