Sign. - Geen sprake van duurzaam gescheiden leven


M is op 3 augustus 2006 in [land] met V gehuwd. Aansluitend heeft hij enige tijd in [land] bij V gewoond. Op enig moment is M zonder V naar Nederland teruggegaan. V is – vanwege het ontbreken van een verblijfsvergunning – nooit naar Nederland geëmigreerd. M heeft in 2006 een bedrag van € 8.760 aan V betaald voor kosten levensonderhoud. Dat bedrag heeft hij (met een beroep op artikel 6.3 Wet IB 2001) in zijn aangifte IB/PVV 2006 in aftrek genomen. De belastinginspecteur is het daar niet mee eens en corrigeert de aftrek.
In hoger beroep is – net als bij de rechtbank – in geschil of M terecht € 8.760 in aftrek heeft gebracht. Volgens M is er sprake van een periodieke uitkering in de zin van artikel 6.3 lid 1 sub a Wet IB 2001. M stelt zich op het standpunt dat hij en V na hun huwelijksvoltrekking enige tijd (als gehuwden) hebben samengeleefd en dat hij er vervolgens in 2006 voor koos om terug te gaan naar Nederland en de samenleving te verbreken. Zijns inziens leefde hij in 2006 derhalve duurzaam gescheiden van V, zodat sprake is van een aftrekbare familierechtelijke periodieke uitkering. De belastinginspecteur betwist dit.
Ingevolge artikel 6.3 lid 1 sub a Wet IB 2001 (tekst 2006) worden als onderhoudsverplichtingen aangemerkt periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.
Met betrekking tot de vraag of M…

Terug naar overzicht