Sign. - Geen tegenbewijs tegen vermoeden dat saldi zijn ontstaan uit overgespaard inkomen


M en V zijn op huwelijkse voorwaarden gehuwd. In 2010 is het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De huwelijkse voorwaarden (uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen) bevatten onder meer een periodiek verrekenbeding, waaraan partijen nimmer gevolg hebben gegeven. V stelt in hoger beroep dat de overweging van de rechtbank dat partijen tijdens hun huwelijk niet hebben voldaan aan hun periodieke verrekenplicht op grond van de huwelijkse voorwaarden en dat op grond van artikel 1:141 lid 3 BW het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, niet in stand kan blijven. Volgens V hoefden partijen niet aan hun periodieke verrekenplicht te voldoen, omdat er in geen enkel jaar verrekenbare overgespaarde inkomsten waren. Bovendien, zo stelt V, bestond het op de peildatum aanwezige vermogen uit door haar ontvangen schenkingen van haar ouders en een ontvangen immateriële schadevergoeding.
Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW wordt het op de peildatum aanwezige vermogen – behoudens tegenbewijs – vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. De blote stelling van V dat er tijdens het gehele huwelijk geen overgespaarde inkomsten waren, is – gelet op de gemotiveerde betwisting door M – onvoldoende om als juist te worden beschouwd. Volgens het hof heeft V niet aangetoond dat er in geen enkel jaar overgespaarde inkomsten waren en is niet gebleken dat partijen op enig moment tijdens hun huwelijk – laat staan ieder jaar – om die reden bewust hebben afgezien van periodieke verrekening. Volgens V dient € 77.446,59 buiten de verrekening te…

Terug naar overzicht