Sign. - Geen verjaring met betrekking tot vordering pensioenverrekening


M en V zijn in 1967 in gemeenschap van vruchten en inkomsten met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is in 1983 door echtscheiding ontbonden. In februari 1984 hebben partijen de navolgende verklaring getekend: 'De ondergetekenden (...) verklaren hierbij dat zij de boedelscheiding als gevolg van de tussen hen op 12 november 1982 door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch uitgesproken echtscheiding in onderling overleg naar genoegen van beiden hebben geëffectueerd. Zij verklaren hierbij daardoor niets meer van elkaar uit dien hoofde te vorderen te hebben.' Tijdens het huwelijk heeft M pensioen opgebouwd bij het ABP. Hij ontvangt sinds 20 juli 2010 een pensioenuitkering. V verzoekt verrekening van de door M opgebouwde pensioenrechten. M voert aan (1) dat V, door het tekenen van de verklaring van februari 1984, willens en wetens afstand heeft gedaan van haar recht op verrekening van pensioenrechten, (2) dat de vordering van V is verjaard op grond van artikel 3:306 BW en (3) dat het door V opeisen van pensioenrechten in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Volgens V zijn de pensioenrechten op geen enkel moment tussen partijen besproken, zodat van afstand van rechten geen sprake kan zijn.
Naar het oordeel van het hof leidt uitleg van de overeenkomst van februari 1984 op basis van de Haviltex-maatstaf ertoe dat V niet hoefde te begrijpen (en M er niet van uit mocht gaan) dat de kwijtingsbepaling ook zag op de pensioenrechten. Vaststaat dat met bedoelde overeenkomst een boedelscheiding tot stand is gekomen. In die zin is die overeenkomst een uitwerking van de geschilpunten die partijen indertijd nog verdeeld hielden met betrekking tot de verdeling van…

Terug naar overzicht